Eenmaal per 4 jaar zijn er Olympische Spelen (OS). Voor sporters is een Olympische medaille een prachtig hoogtepunt in hun sportcarrière en er wordt door hen veel geïnvesteerd om te kunnen meedoen en te gaan voor goud, zilver of brons.
Voor alle betrokkenen, OS, sportbond en sporter, is het van belang dat de beste sporters deelnemen aan de OS. Om dat te bereiken is een systeem van selectie nodig.
De laatste dagen rond de Kerst hebben we kunnen zien dat schaatsers zich voor de OS moeten kwalificeren via het OKT (Olympisch Kwalificatie Toernooi). In overleg met alle partijen is gekozen voor deze wijze van selecteren.
Deze toets op een eenmalige moment is dus beslissend of je naar de OS mag, ook bewezen toppers moeten zich dan weer eenmalig bewijzen.
Dezer dagen is duidelijk geworden dat deze aanpak niet leidt tot het gewenste doel, namelijk de beste schaatsers selecteren. Je zult als topper alle Wereldbekers van het seizoen hebben gewonnen en op het OKT om uiteenlopende redenen niet je beste dag hebben. Dat overkwam topper Joy Beune, die tot dan alle internationale wedstrijden op de 1.500 meter had gewonnen. Dat overkwam bijna Jutta Leerdam door een val op de 1.000 meter. Gelukkig is haar een aanwijsplek gegund als een van ’s werelds besten op die afstand, Het doel om de allerbesten af te vaardigen naar de OS wordt met een OKT in deze vorm kennelijk niet bereikt. Een beschermde status van de absolute top moet voorkomen dat de allerbesten door een OKT niet worden afgevaardigd.
Komt nog bij het geval Prins. Er wordt gestreden om OS plekken op onder meer de 1.000 en 1.500 meter. Op de 1.000 meter is Kjelt Nuis 5 duizendste seconde sneller dan Tim Prins en wordt 3e op deze afstand. Op de 1.500 meter is Tim Prins 0,6 seconden sneller dan Kjelt Nuis en wordt 3e op die afstand. Om het maximale OS quotum van 9 schaatsers niet te overschrijden moet er iemand afvallen. De KNSB besluit dat Tim Prins afvalt en Kjelt Nuis wordt afgevaardigd. Dat is merkwaardig omdat Tim Prins over beide afstanden gezien beter presteerde dan Kjelt Nuis. En dat vindt Tim Prins dus ook.
Het is voor sportbestuurders een grote verantwoordelijkheid om op een juiste en respectvolle manier om te gaan met sporters, die heel erg veel investeren in hun sport. Bestuurders moeten zich realiseren dat regels een middel zijn en geen doel.
Ruud van Enter
Geef een reactie